Officiële website regio Valle d'Aosta

Gran Paradiso - Italië Magazine

In de luwte van de hoogste Alpentoppen hebben steenbokken, gemzen en roofvogels vrij spel, genieten wandelaars van de mooiste vergezichten en wagen ijsklimmers zich op dichtgevroren watervallen. Parco Nazionale del Gran Paradiso heeft eigenlijk alles in zich, zeker in combinatie met de culturele en culinaire rijkdom van de rest van Valle d’Aosta.

Hoge bergen, diepe dalen, groene alpenweiden, spectaculaire watervallen en een unieke flora en fauna: Parco Nazionale del Gran Paradiso draagt met recht het woord paradiso in zijn naam. Het natuurpark in het uiterste noordwesten van Italië, ten zuiden van de Zwitserse Alpen, is vernoemd naar zijn hoogste berg, de Gran Paradiso (4061 meter).

In het noorden strekt het bergmassief zich uit tot aan de prachtige vallei van Aosta, met zijn surplus aan kastelen en Romeinse monumenten. In het zuiden grenst het aan de provincie Piemonte. Ooit was dit het jachtterrein van de koningen van Savoia, totdat Vittorio Emanuele III in 1920 afstand deed van zijn koninklijke reservaat en het teruggaf aan het volk. Twee jaar later werd de jacht op de steenbok verboden en was de stichting van Italiës eerste nationale park een feit.

Steenbokken en marmotten

Drie dalen doorklieven van noord naar zuid het paradijs ten zuiden van de Alpen. De valleien komen uit op het dal van de rivier Dora Baltea, beter bekend als Valle d’Aosta. Vanuit de stad Aosta, waarover straks meer, rijden we binnen twintig minuten naar de ingang van het meest westelijk gelegen dal, Valle de Rhêmes. De achttien kilometer lange vallei volgt de snelstromende Rhêmesbeek tot aan het dorpje Rhêmes-Notre-Dame, gelegen op ruim 1700 meter hoogte aan de rand van een uitgestrekte weide. De witte klokkentoren van de 15de-eeuwse parochiekerk steekt fraai af tegen het groen en de besneeuwde bergtoppen in de verte.

In de zomer is Rhêmes-Notre-Dame een ideale uitvalsbasis voor ontdekkingstochten te voet, te paard en met de mountainbike. ’s Winters nemen skifanaten bezit van de pistes tussen de bossen. Echte durfals wagen zich aan een sport die piolet traction heet: het met harpoenen en pikkels bestijgen van bevroren watervallen. Wij lopen door naar het bezoekerscentrum van het dorp, waar we alles te weten komen over het natuurlijke erfgoed van Gran Paradiso. Vandaar leidt een voetpad ons in de richting van Thumel, een gehucht aan de voet van indrukwekkende reuzen als de Grande Traversière en de Granta Parey. Onderweg komen we een paar keer groepjes steenbokken tegen (de vrouwtjes apart van de mannetjes), die in dit lager gelegen gebied op zoek zijn naar gras. Een ontmoeting met de gems blijft uit, al leven er in hele park toch zo’n achtduizend stuks. Daar waar het land vlak is, en rijk aan gras, passeren we wel hele kolonies marmotten, die hongerig uit hun holen komen gekropen, maar verschrikt weer wegduiken voordat we ook maar kans zien om een camera op ze te richten.

Vele vestingen

Na ruim een uur lopen bereiken we de berghut van Benevolo en keren we terug naar Rhêmes-Notre-Dame. Vandaar volgen we de beek nu in omgekeerde richting, naar de Aostavallei. Direct naast de ingang van Valle de Rhêmes ligt immers de ‘entree’ van Gran Paradiso’s middelste dal, dat van Valsavarenche. Van de drie valleien is deze het smalst, met aan weerszijden steile rotsen die als een magneet werken op klimmers. Voordat we het dal betreden, nemen we eerst de tijd om de kastelen van Saint-Pierre en Introd te bewonderen, twee van de vele vestingen die zich verheffen boven de Dora Baltea. Vanaf de vroege middeleeuwen zagen hun eigenaren toe op de veiligheid van Valle d’Aosta, van oudsher een strategische doorgangsroute tussen Italië en Frankrijk.

De mooiste kastelen liggen meer naar het oosten, zoals het kasteel van Fénis en Forte di Bard. Valsavarenche is geliefd bij klimmers én wandelaars. Vanaf het gelijknamige dorp, op 1540 meter hoogte, worden zij naar een aantal omliggende berghutten geleid. In het hele park is voor 475 kilometer aan wandelroutes uitgezet, die door dichte naald-, loof- en lariksbossen, over groene alpenweiden en langs hoge bergmeren en indrukwekkende watervallen leiden.

Langs de Grand Eyvia

Een van de mooiste wandelingen voert binnen 2,5 uur naar berghut Vittorio Emanuele II, op ruim 2700 meter hoogte. Het uitzicht op het dal van de Seyvaz en de ruim 4000 meter hoge Gran Paradiso is adembenemend. Het ‘dak’ van het park is ook te beklimmen, vanuit het gehucht Pont, het laatste dorp in het Valsavaranche-dal. De bekendste vallei in Gran Paradiso is die van Cogne en de rivier Grand Eyvia. Het dal begint bij Aymavilles in Valle d’Aosta, zo’n beetje aan de voet van het gelijknamige castello. Aymavilles, op bijna 600 meter hoogte, wordt omringd door wijngaarden. Hier komen enkele bekende DOC-wijnen vandaan, zoals de Petite Arvine en de Torrette. Beide zijn te proeven bij de wijnboerderij Cave des Onze Communes. Hier vlakbij ligt de Pont d’Aël, een Romeinse brug uit de 3de eeuw en een van de best bewaarde en meest spectaculaire monumenten van Valle d’Aosta.

Het aquaduct werd gebouwd ter overbrugging van de diepe Grand Eyvia-kloof en om het water naar het dal van Aosta te leiden. Vanaf het dorpje Pont d’Aël volgen we een slingerende weg omhoog naar Ozein, een verzameling plattelandshuizen die uitziet op de Mont Blanc in het westen. Daarna zoeken we de Grand Eyvia weer op en rijden we parallel aan de stroom naar het vijftien kilometer verderop gelegen Cogne. Hier ontmoeten we Sandra Perrod, eigenaresse van Ristorante Lou Bequet en onze gids voor vanmiddag.

Cogne, de zelfbenoemde ‘hoofdstad’ van Parco Nazionale del Gran Paradiso, ligt daar waar de Grand Eyvia samenvloeit met de Valnontey-beek, aan de rand van de kolossale Sant’Orso-weide. In de 20ste eeuw voorzag de nabijgelegen mijn in veel inkomsten. Ook Perrods vader en grootvader voorzagen zo in hun levensonderhoud. Ze wijst in de richting van de hoger gelegen mijnschacht. ‘De mannen van Cogne verbleven daar wekenlang aan de voet van de mijn’, vertelt ze. ‘Hun vrouwen bleven achter in het dorp.’Nu de mijn alweer een tijdje is gesloten, moet Cogne (op 1534 meter hoogte) het vooral van het toerisme hebben. De plaats ligt in een bergkom, wat goed te zien is vanuit het dorpje Gimillan, prima bereikbaar met de auto, of vanaf de Montseuc, te bereiken met de stoeltjeslift. Met Perrod lopen we naar de mooiste waterval van de regio, even buiten

Cogne. De Lillaz valt in drie etappes over een lengte van 150 meter in een waterreservoir en is op het bovenste punt – te bereiken via een aantal trappen – meestal bevroren. ‘Rond Cogne bevinden zich meer dan 150 watervallen’, vertelt Perrod. ‘Deze zijn erg in trek bij ijsklimmers. Maar helemaal ongevaarlijk is het niet, er gebeuren regelmatig ongelukken.’ Gelukkig kun je rond Cogne ook minder extreme sporten beoefenen. Met ruim zeventig kilometer aan langlaufpistes, de Montseuc-skipistes en diverse wandelpaden en mountainbikeroutes is het dorp het hele jaar door een populaire bestemming voor sportieve vakantiegangers. Na de klim langs de Lillaz-waterval lopen we terug naar het centrum van Cogne. Vandaar rijden we een stukje terug de vallei in, tot Crétaz – nog zo’n naam die eerder Frans dan Italiaans aandoet. Geen wonder, deze regio hoorde tot 1861 bij Frankrijk en nog steeds wordt in de hele Aosta-vallei naast Italiaans ook Frans gesproken.

In dit plaatsje wacht ons een voortreffelijke lunch in Perrods restaurant Lou Bequet, dat weliswaar vernoemd is naar de duivel, maar waar hemelse streekgerechten geserveerd worden. Op aanraden van de gastvrouw bestellen we de assiette degustation ‘Saveurs du Val d’Aoste’ als antipasto, met bekende kaasjes en vleeswaren uit de streek. Genieten doen we ook van de lamsrack met bosses-ham en honing-tijmsaus, vergezeld van een Blanc de Morgex, een van de topwijnen uit het Aosta-dal, én van het adembenemende uitzicht over het Cognedal en de omliggende bergtoppen.

Rome van het noorden

We verblijven in Aosta. De stad, vernoemd naar keizer Augustus, werd gesticht in 25 na Christus, als garnizoenstad op de route naar Gallië. Er zijn nog zo veel monumenten die aan de Romeinse periode herinneren, dat Aosta ook wel het Rome van het noorden wordt genoemd. Alleen de aanblik van het Romeinse amfitheater met op de achtergrond de 3600 meter hoge Monte Emilius is al onvergetelijk. Aosta is geen grote stad; vrijwel alle monumenten laten zich in een dag bezichtigen.

Van de triomfboog Arco d’Augusto in het oosten naar de Torre del Lebbroso in het westen loopt een langgerekte weg, met aan weerszijden een groot aantal bouwwerken uit de Romeinse tijd en de middeleeuwen. Halverwege loop je door de Porta Pretoria, een brede stadspoort met drie doorgangen: één voor strijdwagens en twee voor voetgangers.

Niet te missen zijn het Romeinse amfitheater, dat ooit plaats bood aan vierduizend toeschouwers, en het klooster van Sant’Orso, met de bijbehorende romaans-gotische kerk uit de 11de eeuw. Aosta is een adembenemende stad, in een sprookjesachtig dal, voor de poorten van een indrukwekkend bergmassief. De combinatie van Parco Nazionale del Gran Paradiso en Valle d’Aosta is onweerstaanbaar voor iedereen dan van natuurschoon, cultuurhistorische monumenten en een rijke gastronomie houdt. Dunbevolkt en veel minder toeristisch dan het Italië van onder de Po-vlakte. Kortom: een paradijs voor rustzoekers en sportievelingen, cultuurminnaars en lekkerbekken.

Tips & adressen

ETEN & DRINKEN

Vecchio Ristoro

Sterrenrestaurant waar vooral traditionele Valdostaanse gerechten worden geserveerd.
Via Tourneuve 4, Aosta, tel. +39 0165 33238, www.ristorantevecchioristoro.it

Ristorante Lou Bequet

Gastvrouw Sandra Perrod en haar man Marco, die in de keuken staat, maken veel gebruik van verse streekproducten.
Via Frazione Crétaz 93, Cogne, tel. +39 0165 74651, www.loubequet.it

TE DOEN

Terme Pré-Saint-Didier

Prachtig aan de voet van de Mont Blanc gelegen thermen met meer dan veertig spafaciliteiten, waaronder whirlpools, stoombaden met aromatherapie en relaxing rooms met een onvergetelijk uitzicht op de Alpen.
Allée des Thermes, Pré-Saint-Didier, tel. +39 0165 867272, www.termedipre.it

Kastelenroute

In Valle d’Aosta liggen enkele van de mooiste kastelen van Italië, over een totale lengte van nog geen tachtig kilometer. Het begint in het oosten van de vallei, bij het Forte di Bard. Dit stoere fort klimt trapsgewijs naar de top van een rots en werd in de 19de eeuw gebouwd door de Savoia-dynastie. Rijdend naar het westen, richting Frankrijk, passeert u nog meer vestingen. Vooral de kastelen van Fénis, Sarre en Saint-Pierre verdienen aanbeveling.

Paradisia

Een spectaculaire alpentuin uit 1953 vlakbij Valnontey, in het nationale park Gran Paradiso, met rotsen, moerassen, meertjes en meer dan tweeduizend alpenplanten. Frazione Valnontey 36, Cogne.

Lago di Beauregard

Het Lago di Beauregard ligt aan het einde van het Valgrisenche-dal, ten westen van Gran Paradiso. Het dorpje Bonne wordt van het meer gescheiden door een enorme dam, die door klimmers als kunstmuur wordt gebruikt.

Erg mooi is het uitzicht bij de Notre-Dame de Rochefort, op een heuvel boven Valgrisenche. De gletsjers ten zuiden van het Lago di Beauregard zijn erg in trek bij heliskiërs.

 

copyright: Jeroen Jansen, artikel gepubliceerd in Italië Magazine - 04- 2013

Contact Valle d'Aosta

Kijk snel op de pagina contact.

Nieuwsbrief

Ontvang nieuws en aanbiedingen per e-mail.

* verplicht veld

In de media

Italië Magazine: Grand Paradiso

Italië Magazine: Grand Paradiso

Artikel over Gran Paradiso in Italië Magazine 4-2013
PDF | 0,92MB

© 2016 - Regione Autonoma Valle d'Aosta